Voorwoord
Het afgelopen decennium heeft stem-, spraak- en taalpathologisch Nederland en Vlaanderen 6000 pagina’s tekst geproduceerd in het Nederlands over onderzoek, klinische standaarden en klinische ontwikkelingen in dit – kennelijk – veelzijdige vakgebied. Ruim de helft hiervan is verschenen in het Handboek Stem-, Spraak- Taalpathologie. De andere helft in het Tijdschrift Stem-, Spraak- Taalpathologie. In deze berekening zijn de artikelen verschenen in de vakbladen van de logopedisten (NL: Logopedie en Foniatrie, VL: Logopedie) nog niet eens meegeteld, dus het totaal komt ruim boven de 6000 uit.
Is alles over het vakgebied gezegd nu het handboek is voltooid? Wij denken van niet. Het Handboek SSTP geeft een stand van zaken weer, in de volle breedte van het vakgebied, met besef voor historische achtergronden, maar is en blijft een momentopname, ook al omspant het 10 jaar. Vermeldenswaard in de ontstaansgeschiedenis van het handboek is, dat de logopedie en logopediewetenschappen aan de wieg ervan hebben gestaan, hetgeen zijn weerslag heeft gevonden in de redactieraad en uiteindelijk het handboek zelf. Grenzen tussen vakgebieden zijn echter vervaagd, of beter gezegd, overschreden, zowel wat betreft onderzoek als wat betreft klinische praktijk. Het handboek reflecteert deze ontwikkeling – de bijdragen komen uit veel meer disciplines dan foniatrie, taal-spraakpathologie en logopedie – en heeft er actief aan bijgedragen.
Het Tijdschrift voor Stem-, Spraak- en Taalpathologie heeft een andere functie in de communicatie tussen onderzoekers, klinische professionals en studenten. De wetenschappelijke ontwikkelingen gaan door. Continuïteit van uitwisseling en samenwerking tussen onderzoekscentra is van wezenlijk belang in dit dynamische vakgebied. Wij zullen ons blijven inspannen om het werkveld te informeren over actueel onderzoek.
Historisch vermeldenswaard is de rol van dr. Herman F.M. Peters, die meerdere jarenm na de in Nederland gebruikelijke en meestal afgedwongen pensioneringsdatum, als eindredacteur het handboek SSTP heeft voltooid, en eveneens als eindredacteur en oprichter afscheid heeft genomen van het Tijdschrift Stem-, Spraak- en Taalpathologie. We zijn Herman veel dank verschuldigd, hij is de drijvende kracht geweest achter deze gestage productie van 600 pagina’s per jaar, en heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan de bloei van het vakgebied en de integratie tussen deelgebieden. Als redactie willen we Herman hartelijk danken voor zijn grote inzet. Hiertoe hebben wij hem een levenslang abonnement aangeboden en zullen we hem in het tijdschrift voortaan vermelden als Founding editor. Wij wensen onze ‘godfather’ Herman een heel plezierig pensioen.
Nog enkele opmerkingen over de voortzetting van het tijdschrift. Allereerst zijn er wijzigingen in de kernredactie, de redactieraad, en het secretariaat. Dr. Ellen Gerrits is toegetreden tot de kernredactie, Zij zal samen met dr. Ben Maassen de eindredactie voeren. In de redactieraad hebben we afscheid genomen van een aantal gewaardeerde collega’s, die zich met grote inzet ook na de pensioengerechtigde leeftijd voor het tijdschrift hebben ingezet. Onze hartelijke dank daarvoor. Voor hen in de plaats zijn een aantal nieuwe redactieraadsleden toegetreden. Welkom. De actuele lijst vindt u binnenin het voorkaft van het tijdschrift.
En last but not least, Lanneke van Dreumel heeft jarenlang het secretariaat gevoerd – Lanneke, hartelijk dank daarvoor – en is voor velen de eerste contactpersoon van het tijdschrift geweest. Zij heeft vorig jaar afscheid genomen, en is begin dit jaar opgevolgd door drs. Marjolein Coppens.
Het eerste nummer van dit jaar van Stem-, Spraak- en Taalpathologie wordt gevuld met een special over de geschiedenis van de afasiologie. De eerste beschrijvingen van afatische symptomen blijken te dateren uit 1700 v. Chr. Er worden verschillende gevalsbeschrijvingen weergegeven en we zien de evolutie in de methoden die werden gebruikt om de hersenen en hersenfuncties te analyseren, waaronder het palperen van de vorm van de schedel, onderdeel van de zogenaamde frenologie. Natuurlijk komt de ontdekking van het taal- en spraakcentrum door Broca (1861) ook aan bod.
Verder zal dit jaar, naast de reguliere nummers met onderzoeksartikelen, een klinisch forum over het belangrijke thema spraakontwikkelingsdyspraxie verschijnen.
Namens de kernredactie,
Ben Maassen en Ellen Gerrits, eindredactie
De vroege geschiedenis van de afasiologie: van de Egyptische heelmeesters (ca. 1700 v. Chr.) tot Broca(1861)
R.S. Prins1 en R. Bastiaanse2
1 Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC), Universiteit van Amsterdam
2 Center for Language and Cognition Groningen (CLCG), Rijksuniversiteit Groningen
Volgens de meeste afasiologen begint de wetenschappelijke afasiestudie in de tweede helft van de 19e eeuw, toen Broca en Wernicke een beschrijving gaven van de twee klassieke afasietypen die nu hun naam dragen. Hoewel de interesse voor en het inzicht in afasie hierna sterk toenamen, is het onjuist om alle eerdere beschrijvingen van afasie als onbelangrijk, bizar of “prehistorisch” terzijde te schuiven. Dit artikel geeft een overzicht van de vroege geschiedenis van de afasiologie, van de allereerste observatie van “sprakeloosheid” in een Egyptische papyrus (ca. 1700 v. Chr.) tot aan Broca’s baanbrekende artikelen in 1861. Hoewel veel symptomen en vormen van afasie al voor 1800 beschreven waren, werden significante hypotheses over de lokalisatie van afasie pas in de periode 1800-1860 geformuleerd. Op basis van zijn pseudo-wetenschappelijke frenologische theorie (of “Schädellehre”) lokaliseerde Gall als eerste taal in de frontale cortex (Gall & Stuart, 1806). Gall’s hypothese dat het “spraakcentrum” in het voorste deel van de hersenen was gesitueerd, werd later gesteund door de neuropathologische data van Bouillaud (1825), die daarmee de grondslag legde voor Broca’s befaamde ontdekking van het “spraakcentrum” in 1861.
Geschiedenis van de afasiologie: Franz Joseph Gall (1758-1828)
E.A. Veldkamp1 en R.S. Prins2
1 Taalwetenschap, Universiteit van Amsterdam
2 Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC), Universiteit van Amsterdam
Eind 18e eeuw introduceerde Franz Joseph Gall (1758-1828) het concept van discrete corticale lokalisatie van mentale functies in de wetenschappelijke wereld. Op basis van het bevoelen van de schedel (‘cranioscopie’) onderscheidde en lokaliseerde hij 27 faculteiten waaronder het taalvermogen, dat hij als eerste in de frontale cortex plaatste. Broca’s ontdekking van het spraakcentrum in 1861 was de uitkomst van het lokalisatiedebat dat in reactie op de ideeën van Gall ontstond. In dit artikel wordt aandacht besteed aan Gall’s plaats in de geschiedenis van de wetenschap, zijn leven, leerstelsel en de ‘frenologie’, een latere aanpassing van het leerstelsel die vooral gericht was op sociale hervorming. Gall werd tijdens zijn leven geprezen als neuroanatoom vanwege een aantal belangrijke neuroanatomische ontdekkingen, maar de reacties op zijn leerstelsel waren wisselend. Halverwege de 19e eeuw was zijn ‘organologie’ verworpen als serieuze wetenschappelijke doctrine, waarna het nog tot het begin van de 20e eeuw voortleefde als een vorm van karakteranalyse uitgevoerd door ‘praktische frenologen’, die tegen betaling schedels lazen. Het leerstelsel dat begin 19e eeuw plausibel werd geacht komt ons vandaag de dag absurd voor, maar wellicht wordt over honderd jaar hetzelfde oordeel geveld over onze huidige ideeën en methoden van onderzoek inzake de relatie tussen taal en hersenen.