Login Search
2008  
02/2008

Gestures en gebaren bij specifieke taalontwikkelingsstoornissen: een overzicht van de literatuur

Maartje Kouwenberg*, Claartje Slofstra-Bremer**, Marjolijn van Weerdenburg***
* Pontem, het onderzoeksinstituut van KEGG en Viataal ** Pontem, KEGG en Rijksuniversiteit Groningen *** Pontem, Viataal en Radboud Universiteit Nijmegen

Deze literatuurstudie heeft betrekking op het gebruik van gestures en gebaren en de hiermee samenhangende taalontwikkeling. Er blijkt een positieve samenhang te zijn tussen het gebruik van gestures en de spraak- en / of taalontwikkeling. Bij kinderen met een taalontwikkelingsstoornis vertoont het gebruik van gestures overeenkomsten met die van jongere kinderen met eenzelfde taalniveau zonder taalproblemen. Tevens lijkt er een relatie te zijn tussen het type taalstoornis en het gebruik van gebaren wanneer deze worden aangeleerd. Ten slotte lijken gebaren te helpen bij het uitbreiden van de woordenschat en het stimuleren van het totale aantal (nonverbale en verbale) uitingen. De studies voldoen echter zelden aan de eisen van kwalitatief goed onderzoek: de steekproeven zijn klein, controlegroepen vaak afwezig en de proefpersonen zijn zelden gespecificeerd beschreven wat betreft ernst en aard van de taalproblemen. De resultaten van deze studies moeten daarom met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.

 
Een Pilotstudie naar de Psychologische I mpact van het Mindfulness-Based Stress-Reduction Programma bij Mensen die Stotteren

Suzanne de Veer, André Brouwers, Welko Tomic, Will J.G.E vers
Faculteit Psychologie, Open Universiteit Nederland

Achtergrond. Mensen die stotteren ervaren dat zij worden belemmerd in het communiceren met anderen, en ondervinden hierbij stress en angst om te spreken. Het Mindfulness-Based Stress Reduction (MBSR) programma is in vele onderzoeken bij een grote verscheidenheid aan deelnemers succesvol gebleken in het reduceren van stress en angst. D e vraag is tot welke effecten het MBSR-programma bij stotteraars leidt. Doel. Het doel van dit onderzoek is na te gaan in welke mate het MBSR-programma bij stotteraars effectief is op criteria als stress, angst, self-efficacy beliefs, coping, locus of control, en de houding die zij hebben ten aanzien van spreeksituaties. Steekproef en onderzoeksontwerp. Nadat instellingen voor stottertherapie en de patiëntenvereniging waren aangeschreven, meldden 64 stotteraars zich vrijwillig voor dit onderzoek aan. Van hen hebben uiteindelijk 37 stotteraars volledig aan het MBSR-programma deelgenomen, 29 mannen en 8 vrouwen. De leeftijdvan de deelnemers varieerde van 15 tot 69 jaar, met een gemiddelde van 36.6 jaar. De deelnemers werden gematcht op geslacht, leeftijd en opleidingsniveau, en vervolgens willekeurig over twee groepen verdeeld. De wachtlijstgroep werd later ook getraind. Metingen vonden plaats voorafgaande aan het MBSR-programma, direct na afloop, en vier weken later.
Methode. De hoeveelheid stress werd gemeten met de Perceived Stress Scale (PSS; Cohen, Kamarck, & M ermelstein, 1983); de hoeveelheid angst ten aanzien van spreeksituaties met de Speech Situation Checklist (SSC; Brutten, 1973; 1975); self-efficacy beliefs ten aanzien van zowel het benaderen van spreeksituaties als het behouden van vloeiendheid daarin met de Self-Efficacy Scale for Adults who Stutter (SESAS; Ornstein & M anning, 1985); coping met de Perceptions of Stuttering Inventory (PSI; Woolf, 1967); locus of control met de Locus of Control of Behaviour Scale (LCB; Craig, Franklin, & Andrews, 1984); en de houding ten aanzien van spreeksituaties met de verkorte S-schaal (S-24; Andrews & Cutler, 1974).
Resultaten. De resultaten lieten zien dat direct na afloop van het M BSR-programma en ook nog vier weken daarna de deelgenomen stotteraars minder leden aan stress en daaraan gerelateerde klachten als spanning en vermoeidheid; minder angst hadden ten aanzien van spreeksituaties; een groter vertrouwen hadden in hun vermogen om spreeksituaties te benaderen (self-efficacy trust); een grotere controle ervoeren over de dingen die in hun leven gebeuren (locus of control); een daadkrachtiger stijl van probleem oplossen hanteerden (probleemgerichte coping); en een positievere houding hadden ten aanzien van spreeksituaties. De grootte van de effecten was middelmatig (bij self-efficacy beliefs, coping en de houding ten aanzien van spreeksituaties) tot groot (bij stress, angst en locus of control).
Conclusie. Geconcludeerd is dat het MBSR-programma een zinvolle training is voor stotteraars, aangezien deelname daaraan in dit onderzoek bij stotteraars bleek te leiden tot minder stress en angst ten aanzien van spreeksituaties, een positievere houding ten aanzien van spreeksituaties, hogere self-efficacy scores ten aanzien van het benaderen van spreeksituaties, een meer interne locus of control, en meer probleemgerichte coping. Dit onderzoek besluit met aanbevelingen voor nader onderzoek.


Een therapieprogramma voor het verbeteren van spraakverstaanbaarheid bij tracheoesofageale sprekers

M.A. van Rossum 4, P. Jongmans 1-2, C.J. van A s-Brooks 1, F.J.M. Hilgers 1-3
1 Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Amsterdam
2 Instituut voor Fonetische Wetenschappen/Amsterdam Center of Language and Communication, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam
3 Academisch Medisch Centrum, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam
4 Afdeling KNO, Leids Universitair Medisch Centrum, Leiden


Onderzoek wijst uit dat de spraakverstaanbaarheid in tracheoesofageale sprekers significant slechter is dan in normale sprekers. E chter, er lijkt (nog) geen therapieprogramma te bestaan dat gericht is op het verbeteren van de spraakverstaanbaarheid. In dit artikel wordt een therapieprogramma beschreven dat
tot doel heeft het verbeteren van spraakverstaanbaarheid in tracheoesofageale sprekers. De voornaamste spraakproblemen, die de basis vormden van het programma worden beschreven. Per spraakkenmerk wordt besproken welke relevante therapietechnieken in de literatuur werden gevonden. V ervolgens wordt de opbouw van het programma uiteengezet.


Nonsenswoordenrepetitie en leesvaardigheid in kinderen met een risico voor dyslexie en kinderen met een taalstoornis (SLI)

Elise de Bree en Frank Wijnen
Utrechts instituut voor Linguïstiek OTS

In deze studie werd de prestatie van vierjarige kinderen met een risico voor dyslexie of een taalstoornis (SLI) op een nonsenswoordenherhalingstaak (NWR) vergeleken met hun leesvaardigheid op achtjarige leeftijd. D e resultaten laten zien dat de SLI-groep de laagste N WR score behaalde en dat de risicogroep tussen de controle en de SLI-groepen in presteerde. Voor de risicogroep bleken de NWR en leesresultaten aan elkaar gecorreleerd, maar dit was voor de SLI-groep niet het geval. D e bevindingen laten zien dat N WR een voorspeller kan zijn van dyslexie in de risicogroep en een indicator is van taalstoornis in de SLI-groep. D aarnaast wijzen deze resultaten ook op kwalitatieve verschillen tussen dyslexie en SLI. Ze suggereren dat dyslexie en SLI niet als eenzelfde stoornis behandeld moeten worden.