Voorwoord
Begrijpen wat je niet hoort
Frank Wijnen
Universiteit Utrecht, Utrechts Instituut voor Linguïstiek OTS
This paper gives a brief introduction to the linguistic phenomenon of ellipsis, and summarizes two experimental studies on the interpretation of elliptic structures, focusing on its time course. The first study uses ERPs to trace the processing of coordinate sentences with a verbal gap. The results suggest that the gap is detected at the very first position allowing it, and that reconstruction of the missing verb is immediate. The second study deals with the interpretation of bare cardinals in two-sentence texts. It is shown that such cardinals are preferably interpreted as denoting a subset out of a set described in the preceding context. A self-paced reading experiment shows that this interpretation is created immediately upon perceiving the bare cardinal, and suggests that the subsequent processing of information contradicting this interpretation leads to a re-analysis of the original interpretation – analogous to incremental models of sentence parsing. Despite the temporal processing similarity, the two types of ellipsis discussed are argued to invoke different levels of representation, and this leads to some suggestions as to the processing and interpretation of such structures by persons with different forms of aphasia.
Het begrip van persoonlijke voornaamwoorden en reflexieven bij agrammatische afasie
Esther Ruigendijk1, Nada Vasić2 & Sergey Avrutin2
1Seminar für Niederlandistik, Carl von Ossietzky Universität Oldenburg, Duitsland
2Utrecht Instituut voor Linguïstiek-OTS, Universiteit Utrecht
In dit artikel gaan we in op het begrip van persoonlijke voornaamwoorden (hem, haar) en reflexieven (zichzelf) door Nederlandstalige agrammatische afasiepatiënten. In drie opeenvolgende studies hebben we onderzocht in hoeverre er een verschil is tussen de interpretatie van persoonlijke voornaamwoorden en reflexieven, welke invloed zinsstructuur heeft, of patiënten in staat zijn geslachts- en getalskenmerken van persoonlijke voornaamwoorden te interpreteren en in hoeverre verschillende linguïstische operaties (syntactisch, semantisch, discourse) een rol spelen. De resultaten van deze studies bespreken we aan de hand van verschillende linguïstische modellen. We stellen voor dat het Primitives of Binding model van Reuland (2001) de data het beste kan verklaren. Daarbij zijn we ervan uitgaan dat agrammatisme wordt veroorzaakt door een ‘verzwakking’ van het syntactische systeem waardoor voor de interpretatie van persoonlijke voornaamwoorden alternatieve linguïstische routes kunnen worden gebruikt (wat soms tot fouten in de interpretatie leidt).
Spraakperceptie van dove baby’s met een cochleair implantaat: een overzicht
Ellen Gerrits
Afdeling Keel-, Neus- Oorheelkunde, Academisch Ziekenhuis Maastricht
Dit artikel beschrijft de eerste bevindingen van studies naar de spraakperceptie van dove baby’s met een cochleair implantaat (CI). Er is nog vrijwel niets bekend over de eerste stappen in de taalverwerking van deze jonge kinderen. Dit is niet zo verwonderlijk aangezien het slechts sinds een paar jaar mogelijk is dove kinderen op zeer jonge leeftijd, namelijk tijdens het eerste levensjaar, te implanteren. Hierdoor is een bijzondere groep dove kinderen ontstaan: baby’s die na een relatief korte periode van auditieve deprivatie gaan horen via een CI, tijdens de startfase van hun cognitieve, sociaal-emotionele, en taalontwikkeling. Er wordt verwacht dat deze kinderen maximaal zullen profiteren van de plasticiteit van het brein en de ‘sensitieve’ periode van de taalverwerving.
Om de spraakperceptie van dove baby’s met CI in kaart te brengen werd gebruik gemaakt van luisterexperimenten die tot nu toe alleen zijn toegepast bij horende baby’s. Uit de resultaten blijkt dat dove baby’s, slechts na enkele maanden CI gebruik, in staat te zijn om grove verschillen in spraak van elkaar te onderscheiden en auditieve en visuele informatie kunnen integreren, een voorwaarde voor het leren van woorden. Helaas lijken de individuele data vooralsnog niet betrouwbaar genoeg om ingezet te kunnen worden voor de klinische evaluatie van het effect van CI. Onderzoek in de toekomst zal meer duidelijkheid moeten scheppen in wat dove baby’s met CI kunnen waarnemen van de woordenbrij om hen heen.
Geïntegreerde modellen van normale en afwijkende spraakontwikkeling
Ben Maassen
Medische Psychologie / Kinderneurologie / KNO, UMC St Radboud Nijmegen
De stelling van dit artikel is dat cognitieve en motorische processen veel sterker geïntegreerd verlopen dan volgens recente theorieën wordt aangenomen. Eerst wordt een korte beschrijving gegeven van twee theorieën over spraakproductie: het model van de gegeneraliseerd motorische programma’s (GPM) en het ‘Task Dynamics’ (TD)-model. Vervolgens wordt op basis van een overzichtsartikel van Kent (2004) een aantal overwegingen en data beschreven, die tot de conclusie leiden dat ".. speech, or any motor behavior, is best viewed as a cognitive–motor accomplishment." Dit artikel besluit met experimentele gegevens over spraakontwikkeling en een model van spraakproductie dat deze stelling verder uitwerkt en illustreert met voorbeelden.
Neuropsychologische aspecten van Spraakontwikkelingsdyspraxie
Lian Nijland
UMC St Radboud, Medische Psychologie/KNO
De spraak van kinderen met spraakontwikkelingsdyspraxie (SOD) wordt gekenmerkt door slechte verstaanbaarheid als gevolg van onregelmatige verwisselingen en vervormingen van spraakklanken (zowel medeklinkers als klinkers). In eerder onderzoek leken problemen in coördinatie en sequentiering hierbij een belangrijke rol te spelen.
In het huidige onderzoek werd gekeken of deze problemen zich niet alleen in de spraak maar ook in niet-spraakgerelateerde taken manifesteren. Hiertoe is een reeks neuropsychologische taken afgenomen bij kinderen met SOD en normaalsprekende kinderen, waaronder complexe senso-motorische taken en sequentieel geheugen taken, simpele senso-motorische taken en controle taken. De resultaten lieten zien dat kinderen met SOD over de hele linie lager scoorden dan normaalsprekende kinderen van dezelfde leeftijd en dat beide groepen een ontwikkeling laten zien op een tweede meting een jaar later. Vergelijking van de scores van de oudere kinderen met SOD (tweede meting) met die van jongere normaalsprekende kinderen (eerste meting) doet ons vermoeden dat de kinderen met SOD een achterstand in ontwikkeling hebben en een stoornis in sequentiële vaardigheden. Vanuit neuropsychologisch oogpunt lijken de problemen bij kinderen met SOD op het gebied van de spraakplanning, programmering en automatisering voort te komen uit een stoornis in sequentiering, waarbij tevens een bijkomende stoornis gevonden kan worden in sequentiële motorische vaardigheden en sequentieel geheugen.
Een multidisciplinaire benadering bij auditieve verwerkingsproblemen
Karin Neijenhuis1, 2 en Martin Stollman3
1 Koninklijke Auris Groep, Auditief Communicatief Expertisecentrum Rotterdam
2 Hogeschool Rotterdam, opleiding logopedie
3 Viataal St. Michielsgestel, Diagnostisch Centrum
Bij de ontwikkeling van gesproken taal speelt de auditieve verwerking een belangrijke rol. Een auditief verwerkingsprobleem (AVP) verwijst naar moeilijkheden in het verwerken van auditieve informatie in het centrale zenuwstelsel. Deze moeilijkheden betreffen auditieve functies zoals geluidslokalisatie, auditieve discriminatie, patroonherkenning, temporele verwerking, verstaan in achtergrondgeluid en verstaan van laag-redundante spraak.
Diverse onderzoeken hebben aangetoond dat auditieve verwerkingsproblemen als een diagnostische eenheid kunnen worden beschouwd. Hierbij staan de auditieve problemen meestal niet op zichzelf, maar meer op de voorgrond ten opzichte van andere sensorische verwerkingsproblemen. In dit artikel wordt de comorbiditeit van auditieve verwerkingsproblemen en spraak- en taalproblemen, aandachts-, lees- en leerproblemen besproken. Hierdoor wordt duidelijk dat auditieve verwerkingsproblemen niet als een uni-modaal probleem gediagnostiseerd kunnen worden en een multidisciplinaire benadering vereisen. Geconcludeerd wordt dat inzichten vanuit de neuropsychologie, zowel in de klinische praktijk als in het wetenschappelijk onderzoek, meerwaarde kunnen bieden. Er worden auditieve subprofielen besproken, die vanuit neuropsychologische inzichten zijn ontwikkeld, maar verdere wetenschappelijke validering behoeven. Nader onderzoek naar subgroepen levert mogelijk betere aanknopingspunten op voor advisering en behandeling van personen met auditieve verwerkingsproblemen.
De spraak bij het syndroom van Gilles de la Tourette
John Van Borsel
Universiteit Gent. Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen. Opleiding logopedie en audiologie
De spraak van personen met het syndroom van Gilles de la Tourette wordt gekenmerkt door het voorkomen van motorische en vocale tics. De vocale tics omvatten onder andere coprolalie, echolalie, palilalie en ook onvloeiendheden. De spraakonvloeiendheden bij personen met Tourette blijken echter niet overeen te komen met het klassieke beeld van stotteren. Wat men ziet is een patroon met kenmerken van zowel stotteren, als broddelen en palilalie maar dat toch niet geheel overeenkomt met een van deze beelden. In hoeverre het patroon van onvloeiendheden bij personen met Gilles de la Tourette syndroomspecifiek is, valt nog uit te maken.