Kwaliteit van leven van kinderen met een taalontwikkelingsprobleem
Heleen van Agt1, Marie-Louise Essink-Bot1, Heleen van der Stege2, Hanneke de Ridder-Sluiter2, Harry de Koning1 1Afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg, Erasmus MC, Rotterdam 2 Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind, Amsterdam
We onderzochten gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven (KvL) ten gevolge van een taalontwikkelingsprobleem bij kinderen. Via een vragenlijst aan de ouders zijn gegevens verzameld over de taalontwikkeling (door middel van het Taal Screenings Instrument voor 3-jarigen en Van Wiechen-items) en de KvL (door middel van de TNO-AZL Pre-school Quality of Life, TAPQOL) in een groot bevolkingscohort van 3-jarige kinderen (n=8877, respons 78%; gemiddelde leeftijd 39,1±2,0 maanden, 4347 meisjes). De Cronbach’s alpha (interne consistentie) varieerde van 0,63 tot 0,85. Afhankelijk van de definitie voor taalontwikkelingsprobleem hadden 131-316 kinderen problemen met de taalontwikkeling. Het onderscheidend vermogen van de 6 gebruikte TAPQOL-schalen werd bepaald met behulp van Receiver Operating Characteristic analyses (ROC-curves) ; de schalen voor Communicatie en voor Sociaal Functioneren bleken het best te discrimineren tussen kinderen met en kinderen zonder taalproblemen. Kinderen met een taalprobleem hadden significant lagere scores voor Communicatie en Sociaal Functioneren dan kinderen zonder taalprobleem (p<0,01). Uit de resultaten blijkt dat een taalontwikkelingsprobleem bij 3-jarige kinderen invloed heeft op hun sociale leven. De resultaten bevestigen het belang van monitoring van de taalontwikkeling en de mogelijke gevolgen bij kinderen. Genderdysfonie: genderidenteit en -rolgedrag Irma M. Verdonck-de Leeuw, psycholoog / logopedist Rico N.P.M. Rinkel, kno-arts / logopedist VU Medisch Centrum, afdeling Keel-, Neus- en Oorheelkunde
Het doel van dit artikel is na te gaan welke spraakkenmerken van belang zijn bij man-naar-vrouw transseksuelen om als vrouw over te komen en in hoeverre behandeling effectief is wat betreft genderrolgedrag (het verkrijgen van vrouwelijke spraakkenmerken) en genderidentiteit (de bijdrage van vrouwelijke stem en spraak aan genderidentiteit). In de inleiding wordt een overzicht gegeven van genderdysforie en de behandeling van transseksualiteit. Vervolgens wordt de gendervariatie in spraakkenmerken in kaart gebracht, alsmede de effectiviteit van fonochirurgische en logopedische behandeling. Tenslotte worden conclusies getrokken en aanbevelingen voor verder onderzoek uiteengezet.
De spraakproductie van kinderen met een genetisch risico op dyslexie: de fonologische en spraakmotorische vaardigheden op een leeftijd van 41 maandenPatricia Gulpen1, Ben Maassen2 1Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen, Klinische Neurofysiologie (KNF) & Kinderneurologie (IKNC) 2Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen, Medische psychologie
Voor dyslectici is het een groot probleem dat de lees- en spellingsmoeilijkheden meestal worden gediagnosticeerd als de negatieve gevolgen zich al hebben aangediend. In de huidige studie werd onderzocht of reeds op een leeftijd van 41 maanden verschillen bestaan in de spraakproductie tussen kinderen met een genetisch risico op dyslexie en kinderen zonder een genetisch risico op dyslexie. Gevonden verschillen zouden als indicatoren kunnen worden gebruikt voor de vroegtijdige signalering van dyslexie. In totaal negen risico en tien controle kinderen werden onderzocht met een Benoemtaak en Nazegtaak (woorden en non-woorden). De verbale reacties van de kinderen werden fonetisch getranscribeerd. Vervolgens werden de geproduceerde fonemen en syllabestructuren geteld (onafhankelijke analyse) en vergeleken met de doeluitingen (relationele analyse). Samenvattend waren in beide groepen dezelfde ontwikkelingstendensen zichtbaar. Er werden geen significante verschillen gevonden in de fonologische en spraakmotorische vaardigheden tussen de risico en controle kinderen. Bij de Nazegtaak was wel een tendens te zien, dat controle kinderen meer profijt ondervonden van de lexicale status van een woord dan risico kinderen. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn minder efficiënte woordrepresentaties in het mentale lexicon en/of problemen bij het samenstellen van spraakmotorische programma’s vanuit nieuwe fonologische codes bij kinderen met een genetisch risico op dyslexie.
|
|