De verwerking van werkwoorden door personen met afasie: de rol van instrumentaliteit en naamsverwantschap
Roel Jonkers
Afdeling Taalwetenschap, Groningen Graduate School for Behavioral and Cognitive Neurosciences, Rijksuniversiteit Groningen
In het hier gepresenteerde onderzoek is de invloed van twee factoren op het verwerken van werkwoorden door personen met afasie onderzocht. Zowel de rol van een conceptuele factor, instrumentaliteit, als van een lexicaal-fonologische factor, naamsverwantschap tussen een werkwoord en een bijbehorend zelfstandig naamwoord, komen aan de orde. Instrumentele werkwoorden (werkwoorden die een actie uitdrukken, waarbij voor de uitvoering van die actie een instrument nodig is) werden beter opgeroepen dan niet-instrumentele werkwoorden door personen met een amnestische afasie, terwijl een dergelijk effect niet werd gevonden voor personen met een afasie van Broca. Ook naamsverwantschap tussen een werkwoord en een zelfstandig naamwoord had een positieve invloed op het aantal correcte reacties bij het benoemen van acties bij de personen met een amnestische afasie, maar niet bij personen met een afasie van Broca. Op een werkwoordsbegripstest bleken beide bovengenoemde factoren eveneens een rol te spelen. Instrumentaliteit had een positief effect op het begrijpen van werkwoorden door niet-vloeiend sprekende personen met afasie, terwijl naamsverwantschap met een zelfstandig naamwoord een negatieve rol speelde bij het begrijpen van werkwoorden door personen met een vloeiende afasie. De gevonden resultaten worden besproken aan de hand van de theorie van gespreide activatie (Dell, 1986).
Taal en Geheugen bij mensen met het syndroom van Down
Marleen in ’t Veld¹, Paul Eling²
¹Viataal, Nijmegen, ²NICI, RU Nijmegen
Weeks en Elliott (1992) veronderstellen dat bij mensen met het Syndroom van Down taalperceptie via de rechterhemisfeer verloopt, terwijl de taalproduktie via de linkerhemisfeer gaat. Op basis van hun theorie zijn een aantal hypotheses geformuleerd over het begrijpen en naspreken van woorden en zinnen. Bij 13 personen met het Syndroom van Down (DS) en 14 personen met een verstandelijke handicap ten gevolge van een andere etiologie (NDS) werd taalbegrip en het direct en uitgesteld naspreken van woorden en zinnen onderzocht; daarbij werd ook het effect van visuele ondersteuning in de vorm van tekeningen geanalyseerd. Ìn de resultaten voor het begrijpen van taal bleken de twee groepen niet te verschillen. Mensen met DS bleken in vergelijking met NDS meer moeite te hebben met het direct naspreken van woorden en zinnen. Voor het uitgesteld naspreken werd alleen verschil gevonden voor het naspreken van woorden maar niet voor zinnen. Het aanbieden van visuele ondersteuning had voor beide groepen een positief effect op begrijpen, reproduceren en onthouden van informatie. Deze resultaten bevestigen de theorie van Weeks en Elliott niet.
Verworven alexie met agrafie op de kinderleeftijd
Hyo Jung De Smet1 , Peter Mariën123 , Patrick Van Bogaert 4, Philippe F Paquier156
1Vakgroep Taal- en Letterkunde, Vrije Universiteit Brussel, België
2 Dienst Neurologie, ZNA - Middelheim Ziekenhuis, Antwerpen, België
3 Laboratorium voor Neurochemie en Gedrag, Born-Bunge Stichting, Universiteit Antwerpen, België
4 Service de Neurologie Pédiatrique, Hôpital Erasme, Université Libre de Bruxelles, Belgique
5 Service de Neurologie, Hôpital Erasme, Université Libre de Bruxelles, Belgique
6 Vakgroep Neurowetenschappen, Universiteit Antwerpen, België
Het verworven alexie met agrafiesyndroom is vooral bij volwassenen beschreven. Het wordt gekenmerkt door een manifeste lees- en schrijfstoornis zonder andere relevante taalmoeilijkheden. Zuivere casussen zijn zeldzaam, meestal worden eveneens matige fatische stoornissen vastgesteld. Bij kinderen worden verworven lees- en schrijfstoornissen meestal gerapporteerd in het kader van meer omvattende afasiesyndromen die de gesproken en geschreven taal vaak evenzeer aantasten, bijvoorbeeld Broca- of Wernicke-afasie. Gedetailleerde beschrijvingen van kinderen met hoofdzakelijk verworven lees- en schrijfstoornissen zijn zeldzaam. In deze studie beschrijven we een 11-jarige, rechtshandige jongen die een temporo-pariëto-occipitaal hematoom opliep ten gevolge van een ruptuur van een arterioveneuze malformatie, en vervolgens het verworven alexie met agrafiesyndroom vertoonde geassocieerd met woordvindingsmoeilijkheden (anomie). Neuropsychologische en neurolinguïstische bevindingen toonden aan dat er geen Gerstmann- en/of gyrus angularis-syndroom aanwezig was. Het herstel van de anomie was gunstig, maar dat van de geschreven taal verliep moeizaam en had een invloed op de schoolse vorderingen van de patiënt. Onze casus herinnert aan een historische pediatrische beschrijving uit 1939 en stemt qua letsellokalisatie en klinisch beeld overeen met de beschrijving van volwassen patiënten.