Login Search
2004  
Nummer 02/2004

De ontwikkeling van spraakmotorische controle I: Modellen
Cathelijne M. J. Y. Tesink¹ ²  en Ben Maassen³

¹ Afdeling Psychiatrie, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen
² F.C. Donders Centre for Cognitive Neuroimaging, Katholieke Universiteit Nijmegen
³ Interdisciplinair Kinderneurologisch Centrum/Afdeling Keel, Neus, Oorheelkunde/ Medische  psychologie, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen

In dit literatuuroverzicht, dat bestaat uit twee delen, komt aan de orde hoe motorische controle van spraak zich ontwikkelt. Een van de uitdagingen bij het begrijpen van spraakstoornissen in het algemeen is om stoornissen in de fonologie te onderscheiden van stoornissen in de motorische controle (zie Kent, 2000). Zo is er in de literatuur over spraakapraxie bijvoorbeeld aanhoudende discussie of deze spraakstoornis bekeken zou moeten worden op het fonologische niveau, op het motorische niveau, of op beide. In dit eerste artikel komt, met als uitgangspunt het DIVA model voor spraakproductie (Guenther, 1994; 1995), een aantal belangrijke componenten van spraakmotorische controle aan bod. Hierbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de manier waarop auditieve feedback een rol speelt bij de ontwikkeling en het handhaven van spraakmotorische controle. In het tweede artikel verschuift de nadruk van theoretisch naar meer klinisch en worden experimentele data besproken met betrekking tot de wijze waarop de vroege spraakontwikkeling verloopt. Hierbij wordt uitgebreid de ontwikkeling van brabbelen bekeken, aangezien dit voor kinderen een cruciaal stadium in de ontwikkeling van spraakmotorische controle vormt. Wederom neemt de rol van auditieve feedback een belangrijke plaats in bij het bespreken van de onderzoeksgegevens.

 

De ontwikkeling van spraakmotorische controle II: Vroege spraakproductie in relatie tot spraakperceptie.
Cathelijne M. J. Y. Tesink¹ ²  en Ben Maassen ³

¹ Afdeling Psychiatrie, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen
² F.C. Donders Centre for Cognitive Neuroimaging, Katholieke Universiteit Nijmegen
³ Interdisciplinair Kinderneurologisch Centrum/Afdeling Keel, Neus, Oorheelkunde/ Medische  psychologie, Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen

In het eerste artikel van dit literatuuroverzicht is bij het bespreken van spraakmotorische controle uitgebreid aandacht besteed aan het DIVA model voor spraakproductie (Guenther, 1994; 1995). Aangezien auditieve feedback in het DIVA model zeer belangrijk wordt geacht voor het vestigen van een intern model voor spraakproductie tijdens de brabbelfase, wordt hier de rol van auditieve feedback in de ontwikkeling van brabbelen bij kinderen bekeken. De beschikbaarheid van auditieve feedback blijkt zeer belangrijk voor canonisch brabbelen, een cruciale eerste ontwikkelingsfase richting volwassen spraakproductie. Na een bespreking van vroege spraakproductie, wordt overgegaan naar de invloed van spraakperceptie bij de ontwikkeling van motorische controle van spraak. Bij spraakperceptie kan fonetische informatie niet alleen auditief, maar ook visueel verkregen worden. Aan de hand van de (revised) motor theory of speech perception (Liberman & Mattingly, 1985) wordt de link gelegd tussen spraakproductie en -perceptie zoals die ook tot uiting komt in imitatie. Imitatie wordt vaak genoemd als de link tussen perceptie en productie waarbij auditieve, visuele en motorische informatie aan elkaar gekoppeld worden. Van imitatie van, door anderen geproduceerde, spraakpatronen wordt verondersteld dat het voor een kind een belangrijk leermechanisme is tijdens taalverwerving en zelfs een vereiste is om uiteindelijk tot de volwassen spraakproductie te komen.

 

Afasie en werkwoorden
Roelien Bastiaanse en Ron van Zonneveld
Graduate School for Behavioral and Cognitive Neuroscience (BCN), Rijksuniversiteit Groningen

Veel afasiepatiënten hebben problemen met het produceren van werkwoorden. Deze problemen zijn vaak groter dan die met het oproepen van zelfstandige naamwoorden, niet alleen op woordniveau, maar ook op zinsniveau en in de spontane taal. De vraag die in dit artikel centraal staat is: wat zijn de onderliggende problemen die het oproepen van werkwoorden zo moeilijk maken en zijn de onderliggende problemen wel voor alle typen afasiepatiënten hetzelfde? Om de aard van de stoornis te illustreren wordt een taalproductiemodel geïntroduceerd dat gebaseerd is op het model van Levelt (1989). Er worden drie experimenten besproken die laten zien dat bij Broca-afasie de problemen te lokaliseren zijn in de grammaticale codering. Bij vloeiende afasie zijn de problemen veeleer terug te voeren op een stoornis in het oproepen van de onderliggende woordvormen, hoewel er ook een wisselwerking lijkt te bestaan tussen grammaticale codering en het oproepen van werkwoorden.

 

Executieve functies bij kinderen met spraakmoeilijkheden
Eefje van Andel¹, Ben Maassen¹ ² en Paul Eling³

¹Interdisciplinair Kinderneurologisch Centrum, Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen;
²Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen;
³Nijmeegs Instituut voor Cognitie en Informatie, Katholieke Universiteit Nijmegen

Doel van dit onderzoek was te bepalen of er een relatie bestaat tussen spraakmoeilijkheden en executieve (dis)functies, cognitieve processen verantwoordelijk voor het controleren en coördineren van gedrag. In dit onderzoek participeerde een controlegroep van 15 kinderen zonder spraakproblemen, en een experimentele groep van 15 kinderen met een probleem in de spraakproductie. Bij beide groepen werden taken afgenomen waarvan verondersteld wordt dat zij een beroep doen op de executieve functies: motorische en auditieve sequentiële vaardigheden en het sequentieel geheugen, cognitieve flexibiliteit, het plannings- en organisatievermogen en het vermogen om te gaan met nieuw en complex materiaal. Kinderen met spraakmoeilijkheden hebben wellicht meer moeite met cognitieve flexibiliteit, met name met het wisselen tussen alternatieven. Tevens zijn er aanwijzingen dat deze kinderen minder gebruik maken van strategieën.