|
|
Werkwoordsmorfologie bij kinderen met ontwikkelingsdyslexie: grammaticaliteitsbeoordelingen en spontane taal. Judith Rispens, Susan Roeleven & Charlotte Koster Rijksuniversiteit Groningen, Graduate school for Behavioral and Cognitive Neurosciences
Ontwikkelingsdyslexie is een specifieke stoornis in het ontwikkelen en automatiseren van lees- en schrijfvaardigheden. Recent onderzoek heeft laten zien dat ook de ontwikkeling van grammaticale en lexicale vaardigheden in de gesproken taal kan afwijken vergeleken met kinderen zonder leesproblemen. Deze studie was opgezet om inzicht te krijgen in de gevoeligheid voor werkwoordsvervoeging bij Nederlandstalige dyslectische kinderen. Een analyse van het gebruik van werkwoordsmorfologie in de spontane taal wijst uit dat dyslectische kinderen significant meer fouten hiermee maken dan hun leeftijdsgenootjes. Resultaten op een grammaticaliteitsoordeeltaak laten zien dat ongeveer de helft van een groep dyslectische kinderen significant meer moeite heeft met het discrimineren tussen grammaticale zinnen en zinnen met een foute werkwoordsvervoeging dan hun leeftijdsgenootjes en kinderen met hetzelfde leesniveau. Deze data benadrukken de individuele verschillen die eerder gevonden waren bij Engelstalige dyslectische kinderen voor wat betreft hun gesproken taalvaardigheid en laten zien dat ook na de kleuterleeftijd (subtiele) problemen met werkwoordsvervoeging aanwezig kunnen zijn. Onderzoek is nodig om de invloed van het verbeteren van morfosyntactische vaardigheden op het leren lezen vast te stellen, aangezien een dergelijke aanname gedaan kan worden op basis van leesmodellen.
Ontwikkeling van het fonologisch bewustzijn bij kinderen (3;0 - 10;0) Rik Elen Lessius Hogeschool, Antwerpen
Dit onderzoek werd opgezet om de ontwikkeling van het fonologisch bewustzijn bij kinderen (3;0-10;0) na te gaan. 320 kinderen (160 meisjes, 160 jongens), gelijk verdeeld over acht leeftijdscategorieën, werden onderzocht op basis van de Proef Fonologisch Bewustzijn (PFB), bestaande uit vier onderdelen: rijmen, segmenteren, samenvoegen en nonsenswoorden nazeggen (Elen,De Coninck, Plessers, Provoost & Suetens, 1999; zie ook Elen, De Coninck & Van Gestel, 2000). Uit de resultaten blijkt dat geslacht geen significante invloed uitoefent op de prestaties van de kinderen (uitgezonderd op 10;0). Leeftijd oefent wel een significante invloed uit. De ontwikkeling van het fonologisch bewustzijn, gemeten met de PFB, bereikt rond 9 jaar een plafond.
Lidwoorden, persoonlijke voornaamwoorden en casus in agrammatische taalproductie. Een crosslinguïstische studie. Esther Ruigendijk Utrechts instituut voor Linguïstiek/OTS, Universiteit Utrecht
Agrammatische afasiepatiënten hebben problemen met de productie van casustoekenners (casus= naamval) zoals (finiete) werkwoorden en voorzetsels en met de productie van elementen die van deze casustoekenners afhankelijk zijn, zoals lidwoorden, persoonlijke voornaamwoorden en casusmorfologie. In deze studie is gekeken of de taalkundige relatie tussen deze woorden gereflecteerd wordt in de taalproductie van afasiepatiënten. Als afasiepatiënten geen casustoekenners realiseren, kan er geen casus worden toegewezen en er kunnen daarom geen lidwoorden en persoonlijk voornaamwoorden zijn, omdat die van deze casustoekenners afhankelijk zijn. De problemen die deze patiënten hebben met lidwoorden, persoonlijke voornaamwoorden en casusmorfologie staan dan niet op zichzelf, maar worden veroorzaakt door de problemen met casustoekenners. Deze relatie is inderdaad gevonden in de taalproductie van Nederlands- Duits-, Russisch- en Hebreeuwstalige agrammatische afasiepatiënten. Casustoekenning is bij deze patiënten over het algemeen ongestoord, als de juiste casustoekenners maar gerealiseerd zijn. Er worden nog wel fouten gemaakt wanneer een casustoekenner gerealiseerd is, maar de lidwoorden en casusmorfologie zijn dan meestal wel aanwezig. Deze resultaten impliceren dat agrammatische afasiepatiënten getraind zouden moeten worden in de productie van (finiete) werkwoorden en eventueel voorzetsels, aangezien de productie van lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden (en in bijv. het Russisch: casusmorfologie) afhankelijk is van de aanwezigheid van deze elementen.
Is screening en behandeling met trommelvliesbuisjes van jonge kinderen met OME overbodig of niet? De resultaten van het KNOOP-3 project. Maroeska M. Rovers12; Koen Ingels3 ; Gert-Jan van der Wilt4; Gerhard A. Zielhuis2
1 Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerste Lijns Geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht 2 Afdeling Epidemiologie en Biostatistiek, Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen 3 Afdeling Keel-, Neus-, en Oorheelkunde, Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen 4 Afdeling Medical Technology Assessment, Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen
Of screening en behandeling met trommelvliesbuisjes van jonge kinderen met Otitis Media met Effusie (OME) zinvol is, hangt mede af van de vraag of een behandeling met trommelvliesbuisjes effectief is in het voorkomen van ongewenste gevolgen van de aandoening betreffende het gehoor, de taalontwikkeling en de kwaliteit van leven van het kind. Teneinde dit te onderzoeken werd een grootschalige interventieonderzoek (KNOOP-3) in Oost-Nederland uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek tonen aan dat trommelvliesbuisjes invloed hebben op het gehoor, maar dan met name op de korte termijn (6 maanden); op de lange termijn (12 maanden) was dit effect grotendeels verdwenen. Voor wat betreft de taalontwikkeling en de kwaliteit van leven konden de verschillen tussen de kinderen met trommelvliesbuisjes en de kinderen met een afwachtend beleid niet van het toeval onderscheiden worden. Een afwachtend beleid bij deze jonge kinderen met OME, die door middel van de Ewing-screening zijn opgespoord, lijkt dan ook gerechtvaardigd en als gevolg daarvan is een gehoorscreening voor OME niet zinvol. Het is van belang te realiseren dat aan de hand van dit onderzoek geen uitspraken gedaan kunnen worden over individuele kinderen, oudere kinderen, of kinderen die via een andere weg dan de Ewing/CAPAS screening gediagnosticeerd worden.
|
|
|