Klankproductieproblemen: een fonologische benadering
Mieke Beers
LUMC Leiden, KNO/Audiologisch Centrum
Voor ouders en omgeving is het moeilijk kunnen verstaan van hun kind vaak een eerste reden tot zorg over de spraak- en taalontwikkeling. De onverstaanbaarheid neemt met name toe wanneer de uitingen van kinderen grammaticaal complexer worden. Langere uitingen bieden meer kans op klankverwarringen, waardoor meer onduidelijkheid over de betekenis van de geuite woorden ontstaat (papa too too jije? → papa auto rijden? of papa ook zo rijden?). Het niet kunnen onderscheiden van klanken beïnvloedt het adequaat aangeven van vervoegingen en verbuigingen in een zin (de vogel vlieg in de luch → de vogel(s) vlieg(en) in de lucht). Hierdoor ontstaat eveneens onduidelijkheid over de betekenis van de uiting van het kind. Problemen met de productie van klanken kunnen op verschillende momenten tijdens het taalproductieproces veroorzaakt worden. Inzicht in de achtergrond van problemen op klankniveau is uiteindelijk van belang voor de manier waarop de behandeling zal plaats vinden. Afhankelijk van het punt in het taalproductieproces waarop de klankproductieproblemen ontstaan, zal de behandeling bestaan uit een meer articulatorisch gerichte training, dan wel uit het bevorderen van het bewustzijn van de fonologische (betekenisonderscheidende) functie van klanken op het cognitieve niveau. Een differentiatie van de verschillende vormen van klankproductieproblemen is dus van belang voor een gerichte behandeling.
De spraakmotorische component: aspecten van spraakontwikkelingsdyspraxie (SOD)
Ben Maassen
Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Interdisciplinair Kinderneurologisch
Centrum/KNO/Medische Psychologie
Klinische inzichten en onderzoek naar de onderliggende stoornissen van spraakdyspraxie (SD) bij volwassenen hebben geweldig geprofiteerd van cognitief-neuropsychologische en psycholinguïstische modellen van spraakproductie en -perceptie. Bij SD zijn drie psycholinguïstische stadia in het bijzonder betrokken: lexicale retrieval, fonologische codering en articulatie (zie Figuur 1). Het uiteenrafelen van deze processen vereist gecompliceerde experimentatie en experimentele technieken, die in het algemeen niet beschikbaar zijn in een klinische setting. Een zeer goed overzicht van onderzoek op dit gebied is te vinden in Level, Roelofs en Meyer (1999). In klinisch onderzoek worden typisch alle informatieverwerkingsprocessen die betrokken zijn bij taal- en spraakproductie, tegelijkertijd getest. Bijvoorbeeld, bij het benoemen van plaatjes zijn alle drie verwerkingsprocessen betrokken (visuele analyse en objectherkenning even voor lief nemend): ophalen van lexicaal concept en woord-vorm, fonologisch coderen en articuleren. Het afleiden van het onderliggende defect op basis van prestaties in deze complexe taak is alles behalve triviaal; foutieve interpretatie of lage inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid vormen serieuze problemen.
Diagnostiek van spraakstoornissen bij kinderen: een fonetische benadering
John Van Borsel
Universiteit Gent / UZ Gent
Men schat dat klankproductieproblemen zowat 75% uitmaken van alle communicatiestoornissen bij kinderen (Milisen, 1971). De diagnostiek van klankproductieproblemen is dan ook een belangrijke aangelegenheid. Jarenlang was het werk van Charles Van Riper (1972) toonaangevend op dit gebied, zowel voor onderzoek als voor behandeling. De inbreng van de linguïstiek in de jaren 1970 en later ook de psycholinguïstiek zorgde echter voor een kleine revolutie. Daar waar klankproductieproblemen voorheen algemeen als ‘articulatiestoornissen’ werden aangeduid, wordt tegenwoordig een totaal ander jargon gebruikt dat suggereert dat er meerdere, verschillende klankproductieproblemen te onderscheiden zijn. Zo spreekt men tegenwoordig van fonetische stoornissen, fonologische stoornissen, verbale apraxie, ontwikkelingsdyspraxie, motorische planningsproblemen, motorische productieproblemen, enzovoort. De inbreng van de linguïstiek en psycholinguïstiek heeft er ook voor gezorgd dat er heel wat modellen en theorieën ontwikkeld werden over hoe het spraakproductieproces verloopt en waar mogelijk in dit proces stoornissen kunnen optreden (zie bijdrage M.-C. Franken). De bedoeling van deze bijdrage is, met de casus J. als voorbeeld, te pleiten voor een gezonde kritische houding tegenover de nieuwere benaderingen. Hoewel het buiten discussie staat dat de inbreng van de linguïstiek en psycholinguïstiek een verrijking betekent, leert de praktijk ook dat we ons moeten hoeden voor een te groot enthousiasme en dat modellen, theorieën en nieuwe diagnostische labels bij gevallen als J. lang niet altijd even verhelderend zijn. Ons betoog omvat twee delen. Eerst formuleren we als achtergrond een aantal kritische opmerkingen over modellen, theorieën en abstracties, over het onderscheid fonetisch/fonologisch en over verbale ontwikkelingsdyspraxie als diagnostisch label. Daarna beschrijven we hoe we bij confrontatie met een patiënt als J. in de praktijk zouden te werk voor het onderzoeken van de spraak.